
De defensiemarkt is geen gewone markt. Een wapensysteem heeft maar één type afnemer, de overheid, en die overheid is op haar beurt aangewezen op een handvol gespecialiseerde leveranciers. Die wederzijdse afhankelijkheid maakt beide partijen kwetsbaar. De economische theorie voorspelt dat de staat zulke bedrijven dan zelf in eigendom neemt, of er op een andere manier de controle over verwerft.
De studie Who controls the defence industry? van Marco Becht, Juan Mejino-López en Guntram B. Wolff (Bruegel, Working Paper 08/2026) toetst die voorspelling aan de praktijk. De kernvaststelling: eigendom en zeggenschap vallen niet samen. Een staat die geen enkel aandeel bezit, kan via statutaire bepalingen en juridische instrumenten toch een beslissende stem hebben.
Ze vertrokken van de SIPRI Top 100 van wapenproducenten voor 2022, 2023 en 2024. Na opschoning bleven 107 bedrijven uit 24 landen over: 43 Amerikaanse, 32 Europese en 32 uit de rest van de wereld.Opvallend is de werkwijze. Een taalmodel doorzocht de jaarverslagen van de 68 beursgenoteerde bedrijven; de 39 niet-genoteerde werden met de hand gecodeerd. Elke score moest gestaafd zijn met een letterlijk citaat uit het brondocument en werd nadien door een coauteur nagekeken.
Het resultaat zijn twee indexen op een schaal van 0 tot 100. De State Influence Index (SII) meet de formele greep van de staat: stemrechten, benoemingsrechten in het bestuur en vetorechten. De State Restraint Index (SRI) meet in hoeverre de staat zichzelf daarbij vrijwillig beperkingen oplegt.
Staatseigendom is een kwestie van alles of niets. Bedrijven zijn doorgaans ofwel volledig in overheidshanden, ofwel volledig privaat. In China en Rusland is de staat enige eigenaar en beslist hij alles.
In de Verenigde Staten had geen enkel bedrijf in de steekproef een overheidsaandeelhouder. Pas in april 2026 nam Washington een belang in de raketdivisie van L3Harris, voorgesteld als een louter financiële investering. Washington stuurt via andere kanalen: veiligheidsakkoorden, de afhankelijkheid van overheidscontracten en een draaideur tussen overheid en bestuurskamers. Gemiddeld 20 procent van de Amerikaanse bestuurders heeft een overheids- of legerverleden, tegenover 10 procent in Europa.
Europa zit ertussenin en is het meest versnipperd. De helft van de 32 bedrijven heeft geen staatsaandeel en vijf zijn volledig in overheidshanden. De overige elf hebben een gedeeltelijk staatsbelang, vaak versterkt met juridische hefbomen.
Frankrijk is het schoolvoorbeeld van een staat die met een klein pakket aandelen grote invloed verwerft.
Bij motorenbouwer Safran bezit de Franse staat 11,6 procent van het kapitaal, maar 18,2 procent van de stemmen. Dat komt door het dubbel stemrecht voor aandelen die minstens twee jaar op naam staan. Geen enkele aandeelhouder mag bovendien meer dan 30 procent van de stemmen uitbrengen.
Ook in de raad van bestuur zit de staat op meerdere stoelen. Eén van de zestien bestuurders wordt bij ministerieel besluit benoemd, een tweede wordt door de staat voorgedragen. Een regeringscommissaris woont de vergaderingen bij zonder stemrecht, en voor de verkoop van strategische dochters is vooraf toestemming van de staat nodig.
Safran en Thales halen daarmee de hoogste SII-score van de gedetailleerd gescoorde Europese bedrijven: 72,9. Bij Thales tilt het dubbel stemrecht het staatsbelang van 26,6 procent van het kapitaal naar 36,4 procent van de stemmen. Samen met Dassault Aviation vormt de staat er een stempact dat 66,3 procent van de stemmen bundelt.
Zelfs waar de staat geen aandelen heeft, is hij aanwezig. Dassault Aviation is in handen van de familieholding GIMD (66,1 procent van het kapitaal, 79,7 procent van de stemmen), maar scoort toch 43,8 op de SII. Het geheel vormt een dicht web: de staat bezit 62,3 procent van scheepsbouwer Naval Group, waarin ook Thales een belang van 35 procent heeft.
Airbus toont hoe drie landen samen controle houden zonder dat één ervan de baas wordt.
Frankrijk (10,83 procent via Sogepa), Duitsland (10,82 procent via GZBV, een dochter van KfW) en Spanje (4,08 procent via SEPI) bezitten samen 25,73 procent van het kapitaal. Dubbel stemrecht is er niet. Wel bindt een aandeelhoudersovereenkomst de drie staten, die samen bewust onder de 30 procent blijven. Boven die drempel verplicht het Nederlandse recht tot een overnamebod.
Het bedrijf is gevestigd in Nederland, dat zelf geen aandeelhouder is. De statuten verbieden andere beleggers om meer dan 15 procent te bezitten. Gevoelige militaire activiteiten zitten in aparte nationale holdings. Parijs en Berlijn kunnen elk twee bestuurders goed- of afkeuren, maar niet zelf benoemen.
Airbus scoort 62,5 op de SII en 60 op de SRI, tegenover een SRI van 35 voor Safran. De auteurs zien daarin een patroon: omdat de drie staten elkaar in toom houden, werkt hun akkoord meteen ook als rem op eenzijdig ingrijpen.
Zodra een defensiebedrijf in meerdere landen produceert, reikt nationale regelgeving niet ver genoeg en wordt de vennootschapsstructuur het stuurinstrument. De auteurs werken drie voorbeelden uit.
BAE Systems. De Britse staat bezit geen gewone aandelen, alleen een gouden aandeel. Dat beschermt statuten die buitenlandse aandeelhouders tot 15 procent van de stemmen beperken en een Britse CEO en een Britse meerderheid in het bestuur eisen. De Amerikaanse dochter werkt onder een apart veiligheidsakkoord met Washington, met onafhankelijke bestuurders; de VS waren in 2024 goed voor 44 procent van de omzet. In Australië geldt een vergelijkbare regeling. BAE scoort 33,3 op de SII.
KNDS. De Frans-Duitse bouwer van landsystemen was in het onderzochte jaar voor de helft van de Franse staat (via GIAT Industries) en voor de helft van de Duitse families achter Wegmann & Co. Een Nederlandse holding dient als neutraal terrein. KNDS France en KNDS Deutschland blijven elk onder nationaal toezicht, en Frankrijk heeft een gouden aandeel in de Franse tak. In juni 2026 sprak Berlijn af om een belang van 40 procent in KNDS over te nemen van Wegmann.
MBDA. De rakettenbouwer is eigendom van Airbus (37,5 procent), BAE Systems (37,5 procent) en Leonardo (25 procent), die unaniem moeten beslissen. Elke nationale dochter valt onder haar eigen regering en kan soevereine programma’s zelfstandig uitvoeren. De auteurs noemen dit ‘federatieve segmentatie’ (federated segmentation): schaalvoordelen op groepsniveau, soevereiniteit per land.
In verschillende landen laat de staat de controle over aan binnenlandse families, op wie hij via bestellingen en vergunningen vat houdt. De auteurs noemen Dassault in Frankrijk, de Wallenberg-stichtingen in Zweden, de familie Diehl en de Krupp-stichting in Duitsland, en de familie Kim in Zuid-Korea.
De Hanwha-groep van de familie Kim is het meest uitgewerkte voorbeeld. Voorzitter Kim Seung-youn bezit 11,32 procent van holding Hanwha Corp.; zijn drie zonen bezitten samen 20,52 procent. De zonen controleren daarnaast het niet-genoteerde Hanwha Energy, dat nog eens 22,16 procent van de holding aanhoudt.
Hanwha Corp. bezit 33,95 procent van Hanwha Aerospace, dat op zijn beurt 30,44 procent van scheepsbouwer Hanwha Ocean aanhoudt. De Koreaanse staat heeft geen aandelen in die defensiedochters. Zijn invloed loopt via aankoopcontracten, exportvergunningen en technologielicenties, en blijft in een index op basis van jaarverslagen dus grotendeels onzichtbaar.
Volgens de studie is eigendom noch nodig noch voldoende voor controle. Bepalend is het geheel van rechten en beperkingen rond de beslissingen van een bedrijf.
Europese bedrijven met veel staatsinvloed scoren doorgaans ook hoger op zelfbeperking. Bij het Noorse Kongsberg bezit de staat 50,004 procent en bedraagt de SRI-score 70, de hoogste in de steekproef. De auteurs leiden daaruit af dat een meerderheidsbelang van de staat private beleggers niet hoeft af te schrikken.
Voor Europese consolidatie noemen ze MBDA als mogelijk model. Dat model hangt af van blijvende gezamenlijke programma’s en biedt weinig aan kleinere landen zonder eigen industriële basis.
De auteurs benoemen zelf de grenzen van hun werk. De indexen meten rechten op papier, zoals bedrijven die rapporteren, en niet hoe staten ze gebruiken. De analyse is beschrijvend en toont geen oorzakelijke verbanden. En de automatische extractie vergde veel nazicht: bij de controle werden 273 deelscores van de SII gecorrigeerd.
G.V.